Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Intrekking na opschorting AIO-aanvulling. Gevraagd verblijfadres is relevant. CIN-nummer niet voldoende. Aanvaardbare inbreuk op privacy. Voldaan wettelijke grondslag en subsidiariteit.

Uitspraak



15 6307 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 augustus 2015, 15/2687 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

De Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 16 mei 2017

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S. el Mhassani, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingezonden.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Namens appellanten is verschenen mr. El Mhassani. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Sturmans.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds januari 2009 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) in aanvulling op een ouderdomspensioen van appellant ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Vanaf 1 juli 2009 ontvingen zij de bijstand van de Svb, per 1 januari 2010 in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellant twee woningen in [plaatsnaam] in Marokko in eigendom zou hebben (gehad), waarvan één zou zijn verkocht in 2010, dat appellant vermogen zou hebben bij een Marokkaanse bank en dat appellant regelmatig als verhuizer werkzaam is, heeft de Svb een onderzoek ingesteld via de Attaché voor Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade te Rabat (attaché) naar onder meer het bezit van onroerende zaken van appellant in [plaatsnaam] . De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een brief van 24 april 2012 van de attaché, waarin is vermeld dat de lokale autoriteiten van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] in [plaatsnaam] appellant op basis van de aangeleverde gegevens niet kennen en dat de mokaddems en de cheikhs een adres nodig hadden om een diepgaand onderzoek te kunnen doen.

1.3.

In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek dat de Svb onder alle AIO-gerechtigden uitvoert heeft de Svb bij brief van 12 juni 2014 appellanten verzocht het formulier “Verblijf en vermogen buiten Nederland” (formulier) in te vullen en aan de Svb terug te sturen. Appellanten hebben niet op dit verzoek gereageerd.

1.4.

Bij brief van 10 september 2014 heeft de Svb appellanten nogmaals verzocht het formulier in te vullen en vóór 29 september 2014 terug te sturen. Bij besluit van 8 oktober 2014 heeft de Svb de AIO-aanvulling met ingang van 1 november 2014 opgeschort, omdat appellanten niet op de brieven van 12 juni 2014 en 10 september 2014 hebben gereageerd. Hierbij heeft de Svb appellanten nogmaals in de gelegenheid gesteld het formulier in te vullen en vóór 5 november 2014 terug te sturen. Appellanten hebben tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 24 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 maart 2015 (bestreden besluit), heeft de Svb de AIO-aanvulling van appellanten met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB met ingang van 1 november 2014 ingetrokken op de grond dat appellanten niet binnen de gegeven hersteltermijn hebben gereageerd op het verzoek om het formulier ingevuld te retourneren.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellanten hebben tegen de opschorting van het recht op AIO-aanvulling geen rechtsmiddel aangewend, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de AIO-aanvulling ingaande 1 november 2014 op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB in rechte stand kan houden.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van

artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Die verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.2.1.

Niet in geschil is dat appellanten het formulier niet binnen de hersteltermijn hebben ingevuld en aan de Svb hebben teruggestuurd. Appellanten hebben aangevoerd dat het verblijfsadres in het buitenland, waarnaar op het formulier wordt gevraagd, geen relevant gegeven is voor het recht op AIO-aanvulling, omdat de Svb onderzoek naar het vermogen van appellanten had kunnen doen op basis van het Marokkaanse CIN-nummer - een nummer vergelijkbaar met het burgerservicenummer - van appellanten.

4.2.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De vertegenwoordiger van de Svb heeft ter zitting verklaard dat onderzoek op basis van het CIN-nummer vaak niet tot resultaat leidt en dat een verblijfsadres voor het onderzoek nodig is. Dit standpunt wordt ondersteund door de uitkomst van het eerdere onderzoek als weergegeven onder 1.2 waarbij de CIN-nummers van appellanten waren gevoegd bij de relevante stukken aan de attaché. Hieruit volgt dat het verblijfsadres waarnaar werd gevraagd in het formulier van belang was voor een in te stellen onderzoek naar vermogen in het buitenland en daarmee voor de verlening van de AIO-aanvulling.

4.2.3.

Ook de beroepsgrond dat het verblijfsadres in het buitenland volgens de Beleidsregels Wet werk en bijstand 2012 (beleidsregels) van de Svb niet behoefde te worden opgegeven, slaagt niet. Dat volgens paragraaf 3.1.2 onder C van de beleidsregels voorafgaand aan een verblijf in het buitenland dat verblijf moet worden gemeld, met inbegrip van de datum van vertrek en terugkeer, zonder dat daarbij tevens het verblijfsadres wordt genoemd, betekent niet dat het verblijfsadres in het buitenland, als dat voor de verlening van een AIO-aanvulling noodzakelijk is en daarom door de Svb wordt gevraagd, niet moet worden opgegeven. Dat volgt ook niet uit paragraaf 3.1.2 onder A of B van de beleidsregels, waar is vermeld op welke gegevens de mededelingsverplichting in ieder geval betrekking heeft, waaronder overigens het naar waarheid beantwoorden van vragen van de Svb.

4.3.

De beroepsgrond dat de Svb met het opvragen van het verblijfsadres in het buitenland in strijd heeft gehandeld met het recht op respect voor het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) slaagt evenmin.

4.3.1.

Op grond van artikel 53a van de WWB is de Svb bevoegd om een onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van de AIO-aanvulling.

4.3.2.

Niet in geschil is dat de verplichting om het formulier in te vullen en terug te sturen, met daarop ingevuld het verblijfsadres in het buitenland, een inbreuk vormde op het recht op respect voor het privéleven van appellanten. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

25 oktober 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU3307) biedt de in artikel 53a vermelde onderzoeksbevoegdheid hiervoor evenwel een wettelijke grondslag in de zin van artikel 8, tweede lid, van het EVRM .

4.3.3.

De inbreuk die de Svb op het privéleven van appellanten heeft gemaakt door het opvragen van het formulier was niet onevenredig zwaar in verhouding tot het met het onderzoek beoogde doel van het behartigen van het belang van het economisch welzijn van Nederland. De Svb heeft toegelicht dat uit een risico-analyse is gebleken dat het risico dat AIO-gerechtigden in het buitenland over vermogen beschikken dat invloed heeft of kan hebben op de (hoogte van) het recht op AIO-aanvulling, zeer aanzienlijk is. Gelet daarop vormt het opvragen van het ingevulde formulier met het verblijfsadres in het buitenland een beperkte maar in de gegeven omstandigheden aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellanten. Zoals blijkt uit 4.2.2 was het, anders dan appellanten betogen, niet mogelijk om op basis van de al bekende CIN-nummers onderzoek naar het vermogen in Marokko te doen, zodat de Svb, anders dan appellanten betogen, reeds daarom niet heeft gehandeld in strijd met het subsidiariteitsbeginsel.

4.4.

Appellanten hebben er tot slot op gewezen dat de Svb de strafrechtelijke bescherming die appellanten als verdachten hebben, heeft geschonden.

4.4.1.

Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ9827) is het bijstandverlenend orgaan niet gehouden de betrokkene die in het kader van een bestuursrechtelijk onderzoek gericht op de - nadere - vaststelling van het recht op bijstand een verklaring aflegt, bescherming en waarborgen te bieden als ware hij verdachte in strafrechtelijke zin. Dat appellanten naar aanleiding van dit onderzoek in de toekomst strafrechtelijk vervolgd zouden kunnen worden, betekent niet dat de strafrechtelijke waarborgen waarop appellanten hebben gewezen al in deze procedure gelden.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en M. ter Brugge en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 mei 2017.

(getekend) W.H. Bel

(getekend) C. Moustaïne

HD

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature