Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Boete opgelegd in verband met niet onverwijld melden van vonnis van kantonrechter. De door de kantonrechter opgelegde verplichting aan de werkgever, om appellante een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden, kan op zichzelf niet van invloed zijn op de WW-uitkering. Uwv heeft niet duidelijk gemaakt wat de invloed kon zijn van het vonnis op WW-uitkering van appellante. Vonnis viel als zodanig niet onder de inlichtingenverplichting. Door van de betalingen afkomstig van de werkgever onmiddellijk mededeling te doen aan het Uwv heeft appellante haar inlichtingenverplichting nageleefd. Uwv was niet bevoegd boete op te leggen.

Uitspraak



15/7403 WW

Datum uitspraak: 10 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 september 2015, 14/5464 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 januari 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was van 1 augustus 2010 tot 1 augustus 2013 in dienst van de [naam werkgever] (werkgever) en heeft, op basis van wisselende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, gewerkt als leraar op het [naam college] ( [college] ).

1.2.

Op 14 november 2011 is tussen [onderwijscentrum] , appellante en het [college] een scholings- en begeleidingsovereenkomst gesloten, gericht op het binnen twee jaar behalen van een bekwaamheidsverklaring om bevoegd als leraar voortgezet onderwijs werkzaam te zijn.

1.3.

In een brief van 24 april 2013 heeft de werkgever appellante bericht dat haar tijdelijke dienstverband met ingang van 1 augustus 2013 van rechtswege eindigt. De werkgever heeft daarbij toegelicht dat appellante na drie jaar haar lesbevoegdheid nog niet heeft behaald waardoor de termijn, opgenomen in de cao-vo, voor het lesgeven zonder bevoegdheid is overschreden, terwijl er geen zicht is op het afronden van haar studie op korte termijn.

1.4.

Bij besluit van 15 augustus 2013 heeft het Uwv appellante met ingang van 1 augustus 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren van 24 per week.

1.5.

Appellante heeft zich verzet tegen de in 1.3 geschetste gang van zaken en heeft de werkgever gedagvaard. Op 30 september 2013 heeft de kantonrechter van de rechtbank Amsterdam bij vonnis in kort geding de werkgever veroordeeld om:

“(…) [appellante] binnen tien dagen na betekening van dit vonnis een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aan te bieden tot 1 augustus 2014 op basis van de gebruikelijke condities en [appellante] weder te werk te stellen in haar eigen functie, alsmede de scholingsovereenkomst met [appellante] voort te zetten tot 1 augustus 2014, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag dat [naam werkgever] nalatig blijft aan deze veroordeling te voldoen, met een maximum van € 25.000,-.”

1.6.

Op 24 januari 2014 is op de bankrekening van appellante een bedrag van € 3.341,87 bijgeschreven met als omschrijving “nabetaling over 2013” en een bedrag van € 1.310,56 met als omschrijving “salaris januari 2014”. Beide bedragen waren afkomstig van de werkgever.

1.7.

Op 28 januari 2014 heeft appellante een wijzigingsformulier WW bij het Uwv ingediend, waarop zij heeft ingevuld dat zij per 18 oktober 2013 is gaan werken als leraar voor 24 uur per week voor de werkgever. Daarbij heeft appellante op het wijzigingsformulier toegelicht:

“Op 30 september 2013 werd door de Rechtbank Amsterdam vonnis gewezen waarbij mijn (ex-)werkgever veroordeeld werd tot het aanbieden van een tijdelijk arbeidscontract conform de contracten de drie jaren daarvoor en verplicht werd zorg te dragen voor voortzetting van mijn opleiding tot eerstegraads docent. Afgelopen vrijdag (met als berekeningsdatum 23 januari 2014) kwam het eerste loon”.

Appellante heeft de betreffende loonstrook bijgevoegd.

1.8.

Appellante is op 3 februari 2014 gestart met een stage op één van de scholen van de werkgever in het kader van haar opleiding.

1.9.

Bij besluit van 1 april 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante niet tijdig aan het Uwv heeft doorgegeven dat zij bij rechterlijk vonnis van 30 september 2013 in het gelijk is gesteld in de rechtszaak tegen haar (ex-)werkgever. Als gevolg hiervan heeft appellante volgens het Uwv recht gehad op voortzetting van haar tijdelijke arbeidscontract. Omdat appellante daarom geen recht had op een WW-uitkering heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante vanaf 21 oktober 2013 ingetrokken en de over de periode van 21 oktober 2013 tot en met 26 januari 2014 door appellante ontvangen WW-uitkering van € 5.664,26 bruto teruggevorderd. Bij een tweede besluit van 1 april 2014 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 2.840,-, omdat zij haar inlichtingenverplichting heeft overtreden.

1.10.

Bij besluit van 23 juli 2014 (bestreden besluit I) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 1 april 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat appellante haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet binnen zeven dagen het Uwv op de hoogte te stellen van het vonnis van de kantonrechter van 30 september 2013. De uitspraak van de kantonrechter van 30 september 2013 was volgens het Uwv wel degelijk van invloed op de uitkeringssituatie van appellante.

1.11.

Bij besluit van 19 februari 2015 (bestreden besluit II) heeft het Uwv bestreden besluit I gewijzigd wat betreft de hoogte van de boete. Het Uwv heeft het bezwaar van appellante tegen het boetebesluit van 1 april 2014 gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 570,-.

1.12.

Bij besluit van 18 februari 2015 (bestreden besluit III) heeft het Uwv bepaald dat appellante een bedrag van € 8.617,23 in termijnen aan het Uwv moet terugbetalen. Daarbij heeft het Uwv bepaald dat uitgaande van de aflossingscapaciteit van appellante zij een bedrag van € 600,- per maand moet aflossen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen de bestreden besluiten I en III niet-ontvankelijk verklaard, het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond verklaard en het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante. De rechtbank heeft vastgesteld dat het besluit tot herziening en terugvordering van de WW-uitkering in de periode van 21 oktober 2013 tot en met 26 januari 2014 niet in geschil is. Ten aanzien van de opgelegde boete heeft de rechtbank geoordeeld dat het vonnis van de kantonrechter van 30 september 2013 van invloed is geweest op de WW-uitkering van appellante aangezien naar aanleiding van het vonnis het salaris van appellante is betaald en appellante met ingang van 18 oktober 2013 niet in aanmerking kwam voor een WW-uitkering. Voor zover dit ten tijde van het vonnis voor appellante niet duidelijk was, had appellante volgens de rechtbank daarover contact moeten opnemen met het Uwv. Omdat appellante het vonnis niet onverwijld heeft gemeld, is naar het oordeel van de rechtbank artikel 25 van de WW geschonden. De rechtbank heeft de opgelegde boete van € 570,- in overeenstemming geacht met de ernst van de gedraging en de mate waarin deze appellante kan worden verweten en de opgelegde boete evenredig geacht. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien tot verdere matiging van de boete.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep primair gesteld dat zij haar inlichtingenverplichting niet heeft geschonden. Subsidiair heeft appellante gesteld dat het niet direct melden van het vonnis van de kantonrechter niet tot enige benadeling van het Uwv heeft geleid. Daartoe heeft appellante aangevoerd dat zij door de ontvangst van de betalingen van werkgever op 24 januari 2014 volledig was verrast. Appellante heeft tussen 25 juli 2013 en 24 januari 2014 noch inkomen uit arbeid ontvangen, noch van de werkgever een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden gekregen, noch werkzaamheden verricht. De werkgever heeft in die periode steeds laten blijken beroep te zullen instellen tegen het vonnis en daaraan geen uitvoering te zullen geven. Volgens appellante kon het vonnis van 30 september 2013 op zich geen invloed hebben op haar recht op WW-uitkering, het geldend maken van dat recht, de hoogte of de duur van de uitkering of het bedrag van de uitkering dat aan haar werd betaald, aangezien werkgever slechts was veroordeeld tot het aanbieden van een nieuwe arbeidsovereenkomst. Zolang die er niet was, was zij werkloos, had zij geen recht op loon en was er geen reden om haar uitkering te herzien. Het vonnis van de kantonrechter viel volgens haar dan ook buiten de reikwijdte van de inlichtingenverplichting. Voor het opleggen van een boete was als gevolg hiervan geen grondslag aanwezig. Appellante heeft daarbij tevens gewezen op de nadere toelichting van het Uwv en voorbeelden op de website van het Uwv. Eerst op 24 januari 2014 was er volgens appellante sprake van ontvangen inkomen uit arbeid, wat zij onmiddellijk heeft gemeld. Het niet melden van het vonnis heeft volgens appellante dan ook niet geleid tot enige benadeling. Niet het vonnis maar de salarisbetaling heeft namelijk geleid tot intrekking van de WW-uitkering per 21 oktober 2013. Vóór 24 januari 2014 was er voor het Uwv geen aanleiding om tot intrekking over te gaan. Zo al een boete opgelegd had kunnen worden, had de hoogte daarvan niet kunnen worden gebaseerd op het teruggevorderde bedrag. De opgelegde boete is daarom niet evenredig. Daarbij heeft appellante er ook op gewezen dat de aan haar gedane betalingen geschiedden zonder een voor haar kenbare rechtsgrond. Daarnaast heeft appellante gesteld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet heeft bepaald dat het Uwv het griffierecht dient te vergoeden en ten onrechte geen procespunten heeft toegekend voor het indienen van het beroepschrift tegen het ingetrokken bestreden besluit III en het bijwonen van de zitting.

3.2.

Het Uwv heeft aangevoerd dat de inlichtingenverplichting zeer ruim moet worden uitgelegd en dat alle informatie door het Uwv beoordeeld dient te worden op relevantie met betrekking tot het recht op uitkering en niet (vooraf) door de uitkeringsgerechtigde. Omdat appellante het Uwv niet tijdig van het vonnis in kennis heeft gesteld acht het Uwv de opgelegde boete in overeenstemming met de ernst van de gedraging en de mate waarin deze appellante kan worden verweten. Voorts heeft het Uwv erkend dat de rechtbank ten onrechte de vergoeding van het griffierecht heeft afgewezen. Het Uwv heeft toegezegd het griffierecht alsnog te zullen betalen. Volgens het Uwv heeft de rechtbank terecht geen proceskosten toegekend met betrekking tot het ingetrokken bestreden besluit III.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is werkloos de werknemer die in een kalenderweek ten minste vijf arbeidsuren minder heeft dan zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek of een aantal arbeidsuren heeft dat ten hoogste gelijk is aan de helft van zijn gemiddeld aantal arbeidsuren per kalenderweek. Onder arbeidsuur wordt op grond van artikel 1a van de WW verstaan:

a. uur waarover een werknemer inkomen uit arbeid heeft ontvangen; of

b. uur waarover een werknemer recht heeft op inkomen uit arbeid.

4.1.2.

Op grond van artikel 25, eerste volzin, van de WW is de werknemer verplicht het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

4.2.

Artikel 27a, eerste lid, eerste volzin, van de WW verplicht het Uwv een bestuurlijke boete op te leggen aan degene die zijn inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk nakomt.

4.3.

Nu het beroep van appellante alleen was gericht tegen het boetebesluit en niet tegen het herzienings- en terugvorderingsbesluit zijn met de aangevallen uitspraak de intrekking van de WW-uitkering en de terugvordering in rechte onaantastbaar geworden, maar niet de feiten die daaraan ten grondslag zijn gelegd. In het kader van de oplegging van de boete worden die feiten, de gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting en het door appellante gestelde ontbreken van verwijtbaarheid in volle omvang beoordeeld. Verwezen wordt naar de uitspraak van de Raad van 16 oktober 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2085.

4.4.

Vaststaat dat appellante niet onverwijld na ontvangst van het vonnis van de kantonrechter van 30 september 2013 het Uwv hiervan op de hoogte heeft gesteld. Voor beantwoording van de vraag of appellante daardoor haar inlichtingenverplichting heeft geschonden is doorslaggevend of het vonnis van 30 september 2013 een feit is waarvan appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit van invloed kon zijn op haar recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het aan uitkering aan haar te betalen bedrag. Bij de beoordeling daarvan worden de volgende omstandigheden van belang geacht. Op grond van het vonnis van de kantonrechter was de werkgever verplicht appellante een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden. Hiermee was voor appellante nog geen recht ontstaan op een bepaald aantal arbeidsuren met recht op inkomen, in welk geval de omvang van haar werkloosheid zou zijn afgenomen. Daarvan kon pas sprake zijn na aanbieding en acceptatie door appellante van een nieuwe arbeidsovereenkomst door de werkgever, wedertewerkstelling of betaling van loon. Gelet hierop kan van de door de kantonrechter opgelegde verplichting aan de werkgever niet worden gezegd dat deze op zichzelf van invloed kon zijn op de WW-uitkering van appellante in de zin van artikel 25 van de WW . Daar komt bij dat het Uwv desgevraagd ter zitting niet duidelijk heeft kunnen maken wat de invloed had kunnen zijn van het vonnis als zodanig op haar recht op uitkering. Het standpunt van appellante dat het vonnis als zodanig niet onder de inlichtingenverplichting viel is dan ook juist. Appellante heeft verder onweersproken gesteld dat de werkgever eerst in mei 2014 een nieuw dienstverband heeft geformaliseerd en dat de in 1.6 genoemde betalingen hebben plaatsgevonden zonder een voor haar kenbare rechtsgrond. Door van die betalingen onmiddellijk mededeling te doen aan het Uwv is appellante haar inlichtingenverplichting nagekomen.

4.5.

Ter zitting heeft het Uwv nog aangevoerd dat het Uwv bij tijdige kennisname van het vonnis de uitkering zou hebben omgezet in een voorschot. Ook dit standpunt heeft het Uwv echter niet nader onderbouwd. Evenmin heeft het Uwv toegelicht welke wettelijke bepaling aan de gestelde omzetting ten grondslag had kunnen worden gelegd. De wens van het Uwv om de situatie van appellante wat betreft de uitvoering van het vonnis te kunnen monitoren betekent niet dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.6.

Gezien het voorgaande was het Uwv niet bevoegd appellante een boete op te leggen.

4.7.

Geconcludeerd wordt dat het Uwv ten onrechte bij bestreden besluit II de onderhavige boete heeft opgelegd. Dat besluit komt daarom voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met de wet. Het is voorts aangewezen om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht het besluit van 1 april 2014 waarbij appellante een boete is opgelegd te herroepen.

4.8.

Uit hetgeen onder 4.3 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellante slaagt en dat de aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover aangevochten. Bestreden besluit II zal worden vernietigd en het boetebesluit van 1 april 2014 zal worden herroepen.

5. Er bestaat aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de kosten van appellante, begroot op € 990,- in bezwaar, € 990,- in beroep en op € 990,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De reiskosten van appellante voor het bijwonen van de zitting van de Raad worden begroot op € 17,08. De totale proceskostenveroordeling is € 2.987,08.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover die betrekking heeft op het bestreden besluit II en de aan appellante door het Uwv te vergoeden proceskosten;

herroept het besluit van 19 februari 2015 dat betrekking heeft op de boete en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 19 februari 2015;

veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.987,08;

bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2017.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) G.J. van Gendt

IvR


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature