Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Niet gemelde hennepkwekerij. Gehouden tot intrekken ene terugvorderen. Geen aanleiding om van terugvordering af te zien.

Uitspraak



16/6058 PW

Datum uitspraak: 9 mei 2017

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

11 augustus 2016, 16/1150 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Olst-Wijhe (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. van der Steeg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Steeg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

E. Spans en F.J.M. Wijnberg.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 30 augustus 2011 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 27 mei 2015 heeft de politie in de woning van appellante een in werking zijnde hennepkwekerij met 202 hennepplanten van maximaal 2 à 3 weken oud ontmanteld. Daarbij was sprake van aanwijzingen dat er meerdere oogsten zijn geweest. De politie gaat uit van vijf eerdere oogsten. Dit is mede gebaseerd op de verklaringen van appellante tijdens het verhoor door de politie op 27 mei 2015. Naar aanleiding van een melding uit het zogeheten

Hennepteelt-convenant heeft de sociale recherche van de gemeente Olst-Wijhe (sociale recherche) een onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche appellante op 18 juni 2015 gehoord. Verder heeft de sociale recherche dossieronderzoek gedaan. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 16 juli 2015.

1.2.

Gelet op de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 20 augustus 2015 de bijstand van appellante over de periode van 1 april 2014 tot en met 27 mei 2015 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 18.680,53 van appellante teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 8 maart 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 20 augustus 2015 herzien, in die zin dat de bijstand van appellante wordt ingetrokken over de periode van 16 april 2014 tot en met 27 mei 2015 en dat de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 18.067,78 van appellante worden teruggevorderd. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellante, door geen melding te maken van het (mede-)exploiteren van een hennepkwekerij, de wettelijke inlichtingenverplichting heeft geschonden. Doordat appellante geen administratie heeft bijgehouden is het recht op bijstand niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet in geschil is dat op de zolder in de woning van appellante op 27 mei 2015 een in werking zijnde hennepkwekerij is aangetroffen met 202 hennepplanten en dat appellante hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.2.

Het feit dat in een door betrokkene gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen, rechtvaardigt de vooronderstelling dat de betrokkene daarvan exploitant is geweest en dat de opbrengst hem ten goede is gekomen. Het is dan aan de betrokkene om dit aan de vooronderstelling ten grondslag liggende vermoeden te ontzenuwen.

4.3.

Appellante is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij de kwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en dat zij geen inkomsten uit of in verband met die kwekerij heeft ontvangen. Appellante heeft weliswaar gesteld dat zij de zolderetage in haar woning aan een onbekende persoon heeft verhuurd, waarvoor zij € 1.000,- aan huurinkomsten heeft ontvangen, dat zij niet op de hoogte was van het bestaan van de hennepkwekerij en dat zij daar ook geen enkele bemoeienis mee heeft gehad, maar zij heeft die stelling niet aan de hand van concrete stukken onderbouwd.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 9 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX9977) worden zowel het verrichten van activiteiten gericht op het starten van een hennepkwekerij als het exploiteren daarvan aangemerkt als omstandigheden waarvan de betrokkene redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand en waarvan hij het betreffende bestuursorgaan onverwijld mededeling moet doen, ongeacht of daaruit inkomsten worden verworven. Dat de strafrechter op

9 februari 2017, zoals appellante ter zitting heeft aangevoerd, bij het haar ten laste gelegde strafbare feit - naar moet worden aangenomen schending van de plicht tot gegevensverstrekking -, opzet niet bewezen heeft geacht, doet aan het vorenstaande niet af. Artikel 17 van de Wet werk en bijstand bevat een objectief geformuleerde verplichting, waarbij opzet geen rol speelt. Dat betekent dat slechts moet worden beoordeeld of appellante het college had moeten melden dat in haar woning een in werking zijnde hennepkwekerij aanwezig was en dit heeft nagelaten. Dat laatste is, zoals hier is overwogen, het geval. Overigens is appellante wel, zo is eveneens ter zitting naar voren gebracht, strafrechtelijk veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 van de Opiumwet . Zie ook de uitspraak van de Raad van 21 februari 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:645).

4.5.

Door geen melding te maken van de hennepkwekerij heeft appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellante is niet in deze bewijslast geslaagd. Appellante heeft haar stelling dat zij niet meer dan het door haar gestelde contant ontvangen onder 4.3 bedoelde bedrag van € 1.000,- heeft verdiend, niet aannemelijk gemaakt. Reeds omdat zij geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden en ook niet anderszins objectieve en verifieerbare gegevens heeft overgelegd die inzicht bieden in de door haar ontvangen inkomsten, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het college gehouden was om de aan appellante over de te beoordelen periode verleende bijstand in te trekken. Met het vorenstaande is tevens gegeven dat het college gehouden was om de kosten van bijstand over de te beoordelen periode terug te vorderen.

4.7.

Appellante heeft aangevoerd dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan het college had moeten afzien van terugvordering. In dat verband heeft appellante onder overlegging van financiële gegevens gewezen op haar schrijnende financiële situatie. Verder betoogt appellante dat de overheid de zwakkeren in de samenleving, zoals appellante, moet beschermen tegen georganiseerde criminaliteit. Het opsporingsapparaat van de overheid slaagt er onvoldoende in georganiseerde handelaren en henneptelers aan te pakken. Deze handelaren en henneptelers maken misbruik van nietsvermoedende personen in een zwakke maatschappelijke positie, zoals appellante, die zich makkelijk laten verleiden een deel van hun woning te verhuren voor een klein geldbedrag. Appellante is ook in deze val gestapt. Appellante wordt vervolgens met een bewijsrisico geconfronteerd waaraan zij niet kan voldoen. Het is onaanvaardbaar dat appellante nu door de stringente aanpak van het college in grotere problemen verkeert dan ooit, terwijl degenen die daadwerkelijk verantwoordelijk zijn voor de plantage vrijuit gaan.

4.8.

Dringende redenen om van terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en /of financiële gevolgen van een terugvordering van een betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin aannemelijk moeten maken.

4.9.

In de door appellante gestelde financiële omstandigheden liggen geen dringende redenen in de hiervoor bedoelde zin besloten, op grond waarvan het college had moeten afzien van gehele of gedeeltelijke terugvordering. Daarbij geldt dat appellante bij de invordering van de terug te vorderen bijstand als schuldenaar de bescherming heeft, of deze zo nodig kan inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en

met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Wat appellante verder heeft aangevoerd is op zichzelf geen gevolg van de terugvordering en kan, wat er verder van zij, reeds om die reden niet worden aangemerkt als een dringende reden in de hiervoor bedoelde zin.

4.10.

Uit 4.6 en 4.9 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 mei 2017.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) C. Moustaïne

HD

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature